Onderstaande tekst en foto zijn uit het boek "Verkenningstochten in de Hondenwereld" door C.A. Kruis. Het boek werd in 1948 uitgegeven door Mouton & Co. te 's-Gravenhage.
Zo af en toe, als ik de Hollandse herder op het land opzocht, heb ik het
genoegen gehad met de prachtige eigenschappen onzer schaapshonden kennis te
maken. In de buurt van de Langstraat waren mij eens drie kudden bekend, waarvan
ik graag nog iets zou vertellen.
Eén daarvan, 199 stuks groot, werd aangevoerd door een scheper met een prachtige
kortharige Hollander - prachtig als gebruikshond; een tentoonstellingsmaniak zou
uitgeroepen hebben: "hij heeft een witte borstvlek en een slag in zijn staart!"
De tweede kudde, plm. 60 stuks, evenals de vorige ten zuiden van Drunen
weidende, werd gehoed door een scheper met een 2-jarige ruwharige Belg, een
lelijk hondje, dat zijn werk erg slecht deed en welks hoektanden, daar hij de
schapen te fel beet, voor de helft waren afgevijld.
De derde kudde, groot ongeveer 150 schapen, stond onder leiding enkel en alleen
van een goudgestroomde Hollandse herdershond, teef; dus zonder herder. Ik had
weinig tijd, maar kon toch niet nalaten er even naar toe te wandelen. De
schaapshond was gaan liggen en volhardde in die houding; toen ik op 30 meter
afstand van hem gekomen was, zag ik zijn tanden blikkeren en hoorde ik hem
brommen. Hij bleef echter volkomen rustig, enerveerde zich niet in het minst.
Ik had met een kennis van mij, de heer W., afgesproken naar eerstgenoemde kudde
te gaan kijken en het heeft mij niet berouwd, dat ik daar een paar uurtjes aan
heb gegeven. Zij stond onder leiding van een scheper met Roland, een
goudgestroomde reu, die eerst 6 maanden in opleiding was, doch zijn werk
uitmuntend verrichtte. Zuivere commando's kreeg hij eigenlijk niet van zijn
baas; er werd meer gesproken dan bevolen. Ik had de scheper met opzet een poosje
aan de praat gehouden, waarbij ik heel interessante dingen over "volbloed",
"inteelt" en "africhting" te weten kwam. Op die manier was ik erin geslaagd de
kudde een 100 meter van de herder verwijderd te krijgen. Toen vroeg ik: "Als je
die kudde nu weer deze kant uit wil laten komen, kan je hond dat dan in zijn
eentje opknappen?"
"Zeker meneer", was het antwoord, "keer". Dit laatste woord, op volkomen
dezelfde toon als de andere uitgesproken, was echter voor de hond bedoeld.
Roland bleek uitstekend op te letten en galoppeerde onmiddellijk in de juiste
richting weg, liep dóór tot hij de verst afgedwaalde schapen voorbij was (dus
aanmerkelijk verder dan de eigenlijke kudde), zwenkte, en liet de gehele kudde
in een minimum van tijd omkeren. Deze liep toen dus weer in de richting van de
herder. Hij deed dit zonder te bijten; wel gooide hij zich af en toe tegen een
weerbarstig schaap aan - wat dan steeds het gewenste resultaat bleek te hebben.
Na aldus het commando te hebben uitgevoerd, kwam hij, niet langzaam, maar
evenmin met overhaasting, bij zijn baas terug, kreeg daar het commando "nog
eens" en herhaalde terstond en opgewekt dezelfde manoeuvre. Bijten was hem
verboden.
Moest hij de schapen samendrijven bij de herder, dan deed hij dat op de
aanwijzing "haal op". Verwonderlijk was het dan te zien hoe snel en hoe
uitstekend de hond de gehele kudde op een zeer kleine, niet begrensde
oppervlakte vlak bij de scheper bijeen dreef.
Moest de kudde in een bepaalde richting afmarcheren, dan was het woord "drijven"
voldoende, en de hond zorgde voor de rest.
Onnodig te zeggen, dat Roland in alle opzichten prima onder appèl stond en dat
er van handschuwheid geen sprake was.
Ik vroeg de herder nog, hoe hij de africhting aanving. Tot mijn verrassing bleek
mij, dat de man 's morgens vroeg de leerling-schepershond aan de lange lijn nam
en met een 10 à 12-tal schapen ging oefenen.
De hond van de heer W., die ons vergezelde, een bekend
tentoonstellingsexemplaar, was een mooie hond volgens de scheper. Of hij hem bij
de kudde zou willen hebben? "Neen, want het was geen volbloed!" Hoe heb ik het
nu, dacht ik. Maar ik veranderde van onderwerp. "Die hond van kudde III, ken je
die?"
"Ja zeker."
"Hoe is die voor zijn werk?"
"Goed, maar ik zou hem niet willen."
"Waarom dan niet?"
"Omdat het geen volbloed is."
Nu ging mijn lamp uit. Die typische teef was een echte Hollandse herder; daar
was geen twijfel aan. En ik vroeg: "Wat versta je dan onder volbloed?"
"Kijk es, meneer, die hond zijn vader heeft nooit geen schapen gezien. Bij
Roland wel, zijn vader en zijn moeder, net zo goed als zijn grootvader en zijn
grootmoeder, hebben allemaal achter de schapen gelopen. Roland is een volbloed
en die zijn toch altijd veel beter. Ze hebben hem al wel willen kopen ook; wel
voor f 100,- meneer! Dat is veel geld, maar ik zou hem niet graag kwijt raken.
De baas heeft hem geruild voor een andere, die niet deugde en f 12, 50 toe. Hij
heeft alles nagepluisd; hoe of de ouders waren en een heleboel meer, vóór hij
hem kocht. Dat is van veel belang."
"Die gele daar van kudde II, die ginds loopt, hoe werkt die? Is die beter dan
Roland?" "Neen, de gestroomde zijn de beste schaapshonden."
"En die teef bij Waalwijk, van kudde III?" "Die is ook goed. Maar geen echte hè,
geen volbloed. Maar dat kan wel goed komen."
"Hoe dan?" "Door inteelt."
Het werd interessant! Een oud schaapherder, die vermoedelijk van de wereld nooit
meer gezien had dan een zeer klein stukje van de Langstraat, had mij eerst aan
het verstand trachten te brengen wat "volbloed" betekende, en was thans op het
punt theorie voor me te houden over inteelt.
"Kijk, als je die teef nou laat paren met een volbloed, bij voorbeeld Roland,
dan komen er jonge schaapshondjes, en als die groot zijn geworden, laat je
daarvan een teef dekken door haar eigen vader, dus weer door Roland. Dan krijg
je weer een nest, en dat nest is dan weer volbloed. Die zijn weer goed."
"En blijf je nu zo doorgaan met Roland of met één van die reuen uit die
familie?"
Neen, dat was de bedoeling niet; dan moest je zien, dat je er een andere
volbloed bijhaalde, en ja - "het kon wel eens wezen, dat je die ver moest
zoeken."
Een scheper is zwijgzaam, zegt men. Ook in dit geval kostte het enige moeite hem
aan de gang te krijgen, maar het resultaat overtrof de verwachting. Welke
liefhebber van onze nationale herdershond zou het niet waarderen op het
Brabantse platteland onderricht te krijgen in het scheperswerk door een vakman
als de baas van Roland, leider van een kudde van 199 schapen!